Djibouti

Door: Nick Welman

Eerste kennismaking 
Mijn eerste kennismaking met de Afrikaanse ministaat Djibouti dateert uit 1988, toen ik meevoer op een Sudanees vrachtschip over de Rode Zee. De Sudanese bemanning had de hele reis al wilde verhalen opgediend over Djibouti, over dat het een “vrije haven” was waar alles geoorloofd zou zijn wat in de nabijgelegen moslimlanden ‘haram’ was.

We waren ook nog nauwelijks aangemeerd in Djibouti of de flessen whisky en de trays met bierblikken werden al aan boord gehesen. De anders zo ingehouden Sudanesen hadden in een wip hun smerige boord-overalls verruild voor strakke, smetteloze kostuums en trokken de stad in om de nachtclubs en bordelen af te struinen. Djibouti leek een Sodom en Gomorra binnen de omringende moslimwereld.

Geschiedenis
Rond 1880 bezetten de Fransen de havens van Obock, Tadjourah en Djibouti aan de kust van Somalië en doopten de nieuwe kolonie Frans-Somaliland. (Andere, grotere delen van Somalië vielen ten deel aan Engeland en Italië.) Gezien de zeer strategische ligging aan de doorgang tussen de Rode Zee en de Indische Oceaan (Golf van Aden), de zeestraat Bab-el-Mandeb (de ‘Poort der Tranen’), kreeg Djibouti een sleutelfunctie in de Franse militaire en koloniale politiek. Bovendien was dit het enige Franse grondgebied op het Oost-Afrikaanse vasteland.

De militaire betekenis blijkt uit het feit dat Frankrijk Djibouti pas in 1977 onafhankelijkheid verleende, ruim vijftien jaar later dan de West-Afrikaanse koloniën. Tot op de dag van vandaag zijn naar schatting zo’n 5000 Franse militairen gelegerd in Djibouti, inclusief de rekruten van het ooit beruchte Vreemdelingenlegioen. Het land huisvest een belangrijke Franse luchtmachtbasis. De huidige president Guelleh voert weliswaar een politiek van democratisering en Afrikanisering, maar de dwergstaat blijft een Franse pion.

De haven van Djibouti had jarenlang een monopoliepositie door de aanleg van de spoorlijn naar Addis Abeba tussen 1897 en 1917, waarover vrijwel de totale Ethiopische import en export plaatsvond. Sinds de opkomst van het wegtransport zijn Assab en in mindere mate Massawa de drukkere havens aan het worden, maar gezien beide op Eritrees grondgebied liggen en gegeven de altijd gespannen relatie Ethiopië-Eritrea blijft Djibouti voor het grote buurland een belangrijke haven.

Toerisme
Djibouti laat zich van twee kanten zien. De Fransen en Afrikanen leven in gescheiden werelden. De stad Djibouti is verdeeld in een Afrikaans kwartier (laag-Djibouti) en een Europees kwartier (hoog-Djibouti), al begint de scheidslijn wat te vervagen. Maar de officiële straatnamen (Rue de Paris, Rue de Marseille) worden door de Afrikaanse inwoners nooit gebruikt. Op straat de weg vragen met een plattegrond in je hand heeft dan ook geen enkele zin.

Ten eerste is er de oorspronkelijke bevolking, ten tweede de Franse expatriates met hun eigen wijken, winkels en voorzieningen. Daarnaast heeft Djibouti sinds de start van de burgeroorlog in Somalië (1988) een grote instroom Somalische vluchtelingen ontvangen. De Somaliërs vormen nu het leeuwendeel van de informele sector in de stad, zoals de schoenpoetsers, de sinaasappelsapverkopers, de straatventers. Ook de meerderheid van de zwervers en daklozen, tot 15 jaar terug een zeldzaam verschijnsel in Djibouti, bestaat uit Somalische vluchtelingen.

Qua toerisme zijn er twee groepen: de eerste groep toeristen zijn de Fransen, die deels voor zaken of op familiebezoek in Djibouti verzeild zijn geraakt. Deze doelgroep bevolkt voornamelijk één van de weinige luxe hotels in Djibouti (Sheraton) en maakt dure all-inn excursies per landrover naar het Lac Assal of per speedboot naar de eilanden voor de kust. Vrijwel niemand van hen bezoekt Djibouti uit een zuiver toeristisch oogpunt. Een binnenlandse toeristische markt is er evenmin. De Franse expatriates bezitten hun eigen jeeps, plezierjachten of duikuitrusting en maken van toeristische diensten weinig tot geen gebruik.

De andere groep toeristen zijn de scheepsbemanningen die ’s nachts het vertier van de stad opzoeken. Wie naïef een willekeurige kroeg binnenstapt om gewoon een glas bier te drinken, loopt grote kans in een etablissement terecht te komen dat veel meer te bieden heeft dan waar je voor gekomen bent.

Dat alles maakt Djibouti geen uitgelezen vakantiebestemming. De enkele toeristische diensten die er zijn, mikken op de uiterst rijke Franse elite. Reken voor een eendaagse duikexcursie minimaal 120 dollar per persoon. Wie geen eigen vervoer heeft, boekt een landroverrit naar het Lac Assal voor zeventig dollar. Rond oktober en november zwemmen de walvishaaien in de kustwateren, maar een duiktoer om deze onderwaterreuzen te aanschouwen komt neer op 1600 dollar per persoon. Logisch dus dat het toerisme naar Djibouti voor een heel kleine groep is weggelegd.

Ook basisvoorzieningen zijn duur in Djibouti, hebben een Nederlands prijsniveau of overstijgen dat. Een enigszins comfortabele hotelkamer komt zeker op 50 euro per dag. Alternatief zijn de thans door Somali gerunde hotels (Djibouti Hotel, Dar-es-Salam Hotel) in het Afrikaanse kwartier waar je voor 15 euro per dag een bed krijgt op een gemeenschappelijke kamer (‘jeugdherberg-stijl’). Alles heeft te maken met de economie van Djibouti: het land leeft van havengelden, doorvoerbelasting en niet in het minste geval van de Franse afdrachten voor hun militaire aanwezigheid. Daarvan wordt álles geïmporteerd: groente uit Ethiopië, vlees uit Somalië, levensmiddelen en huishoudelijke artikelen uit Saudi-Arabië en Europa. Op een vrijwel verwaarloosbare nationale veestapel na (geiten en schapen), produceert het woestijnland zelf niks.

De Nederlandse vakantieganger die Djibouti bezoekt, zal dat doorgaans doen ‘per ongeluk’, als deel van een langere reis door Afrika of het Midden-Oosten. Op zich heeft het land desalniettemin potenties: de rijke onderwaterwereld, het door lava velden omringde Lac Assal en het nevelbos Foret du Day. De woestijn biedt de toerist uitgestorven maanlandschappen, die niet van deze wereld lijken. Van duurzame toeristische ontwikkeling is weinig sprake. Ook is de kloof tussen blanken en locals duidelijk zichtbaar: Afrikanen spreken westerlingen doorlopend met “chef” aan. Dat bevordert de vooruitgang van het land natuurlijk ook niet bepaald. Wel heeft een onbekende bestemming als Djibouti natuurlijk veel potentieel, gezien bijna iedere plek op de aarde al massaal ontdekt is door het toerisme. En we daarom op zoek zijn naar die ongerepte, “best kept secret” plekken op aarde. Dus ook Djibouti zal er aan moeten geloven en in de toekomst ontdekt worden door een groeiende stroom toeristen.

Fotografie en video, officieel gewoon toegestaan, brengen de bezoeker soms grote problemen. Zowel bevolking als politie kunnen je erop aanspreken. Een leuke fotoreportage maken in Djibouti is een heidense onderneming en leidt onherroepelijk tot soms onprettige discussies. Met name de Somalische bevolking is gekant tegen fotografie. Vanuit een sterk gevoel voor privacy heeft men er een afkeer van dat zijn of haar beeltenis ooit op een of andere wijze openbaar wordt gemaakt, gepubliceerd of anderszins vermenigvuldigd. (In het voormalige Somalië gold een algemeen fotografieverbod, ook voor de bevolking zelf; alleen personen met een vergunning mochten opnamen maken.) Voor dit probleem is de enige ‘duurzame’ oplossing wellicht om dan maar niet naar Djibouti te gaan met de verwachting overal naar hartelust straatbeelden vast te kunnen leggen.

Het vraagstuk Somalië
In het huidige Djibouti lijkt de burgeroorlog in Somalië zich op diplomatiek niveau voort te zetten. De Somali vormen een unicum in Afrika: een homogeen volk dat één aaneengesloten gebied bewoont, één taal spreekt, één geloof (Islam) beleidt. Alle ingrediënten voor een natie-staat naar westers model lijken daarmee – in tegenstelling tot veel andere Afrikaanse landen die een lappendeken van volken, talen en culturen binnen de grenzen hebben – voorhanden.

De praktijk is echter totaal anders. Twee factoren belemmeren de organisatie van een gezonde en vreedzame Somalistaat. Ten eerste is het grondgebied van de Somali door de koloniale grootmachten in vijf stukken opgedeeld: Djibouti (voorheen Frans-Somaliland), Brits-Somaliland (het noorden rond Hargeisa), Italiaans-Somalië (de gehele oostkust inclusief Mogadishu), het noorden van Kenia (Brits) en de Ogaden (Ethiopië). In 1960 verenigden het Britse en Italiaanse deel zich tot de staat Somalia en ontstond het pan-Somalische streven de drie verloren gebiedsdelen toe te voegen aan een ‘Groot-Somalië’. Het idee van een Groot-Somalië heeft het land echter doorlopend op gespannen voet gezet met de buurlanden (in de jaren tachtig resulterend in een openlijke oorlog met Ethiopië), hetgeen op zijn beurt weer Somalische verzetsbewegingen de mogelijkheid gaf hun hoofdkwartieren in de buurlanden te vestigen.

Ten tweede – en veel erger – is de Somali-samenleving georganiseerd in familieclans die elkaar, hoe vriendelijk je het ook wil uitdrukken, het licht in de ogen nauwelijks gunnen. De laatste president, Siad Barre, behoorde tot een zuidelijke clan en had dienovereenkomstig ook weinig draagvlak bij grote delen van de bevolking. Gesteund door Amerika, als bondgenoot in de Koude Oorlog tegenover het Sovjet-regime in Ethiopië, hield Barre tot 1990 een oppressief bewind in stand. In 1988 tekende hij een vredesverdrag met Ethiopië, met als volkomen averechts effect dat de Somalische rebellen die nu Ethiopië werden uitgezet een overwacht succesvol wanhoopsoffensief begonnen.

Sindsdien is Somalië in een uitzichtsloze anarchie gedompeld. Wanneer er ooit een wereldverkiezing zou zijn voor het meest koppige en eigenzinnige volk, zouden de Somali ongetwijfeld met de eer gaan strijken. Wat bij een Somaliër eenmaal in z’n kop zit, krijg je er nooit meer uit. Die onwrikbare hardnekkigheid maakte dat de zinloze VN-vredesmissies in 1991 eindigden in een vernederend debâcle voor Amerika & partners. Hoewel de overgrote meerderheid van de bevolking hunkerde naar vrede, bleven de Somalische warlords star en onverzettelijk. (Dat Somaliland in 1920 de enige kolonie was waar de Britten ooit hun luchtmacht hebben moeten inzetten om hun bewind te handhaven, had een voorteken moeten zijn.) Somalië zit nu als enige land ter wereld reeds tien jaar zonder regering of enige andere vorm van centraal gezag.

Sinds midden jaren ’90 beschikt de oude Engelse kolonie Somaliland over een eigen regering, onder leiding van Maxamed Ibrahim Cigaal (Egal), maar de provisorische staat is niet erkend door de VN. In de hoofdstad Hargeisa zijn geen ambassades of andere diplomatieke vertegenwoordigingen. Evenmin beschikt Somaliland over officiële afvaardigingen in het buitenland. Een tijdelijke ambassade in Djibouti is na een korte bestaansduur inmiddels alweer gesloten. Sinds 1995 bestaat tevens in Garowe een obscure regering van de zelf-uitgeroepen staat Puntland, die de gehele noord-oostkaap van Somalië zou besturen. (Punt – spreek uit ‘Poent’ – is de legendarische oud-Egyptische naam voor Somalië.)

In de voormalige hoofdstad Mogadishu, in het regeringsloze Somalië, functioneren alleen een Libische en een Sudanese ambassade. Aangezien in Mogadishu geen regering zetelt, zijn er evenmin vertegenwoordigingen in het buitenland. Internationale organisaties als de UNESCO beheren evenwel kantoren in Somalië en zijn actieve stimulators achter het trage vredesproces. Wie – om wat voor reden dan ook – een reis plant naar Somalië dient zich tot deze instanties te wenden. Voorzieningen als telefoons en posterijen zijn, bij het ontbreken van een overheidsapparaat, sporadisch aanwezig, beheerd door particuliere ondernemers. Via particuliere instanties blijft Somalië eveneens geitenvlees exporteren naar Arabische landen.

Wanneer het ooit komt tot stabiliteit in Somalië biedt het land voor toeristische ontwikkeling een duizenden kilometers lange en maagdelijke kustlijn, enkele opmerkelijke bezienswaardigheden als de mysterieuze ruïnes van het in 1920 verwoeste fort Taleh van vrijheidsstrijder Mohammed Abdille Hassan, en een perfect klimaat. Ooit bezat Somalië olifanten, leeuwen en nijlpaarden, maar in de burgeroorlog is de wildstand totaal geëlimineerd. Safaritoerisme zit er nooit meer in. (Somali zijn tevens beruchte stropers in de Keniaanse wildparken.)

Djibouti huisvest thans veel Somali uit diverse clans, maar de onderlinge sfeer is er een van wantrouwen en kift. De ene Somaliër kan op een terras naar de andere wijzen en tegen je fluisteren: “Daar zit de vijand.” In de zomer van 2000 organiseerde president Guellah van Djibouti een nationaal Somalisch congres met de opzet te komen tot een nieuwe centrale regering in het jaar 2002. De provisorische regeringen van Somaliland en Puntland hebben het congres echter geboycot. In augustus 2000 pareerde president Cigaal van Somaliland Guellahs initiatief door een officieel verzoek bij de Verenigde Naties in de dienen om aan zijn land een ‘status aparte’ toe te kennen. Naast al deze complicaties is het bovendien moeilijk in te zien hoe Somalië ooit een regering kan krijgen die geen oligarchie inhoudt.

Interessante links over Djibouti:

Er is heel weinig toeristische informatie beschikbaar over Djibouti. Er is wel een lonely planet van Ethiopië, Eritrea en Djibouti.

Office National du Tourisme de Djibouti
Algemene toeristische informatie over Djibouti (alleen in het Frans)

Reisweb.nl 

Nederlands reis- en fotoverslag over Djibouti

Dive Explorer
Op duikvakantie in Djibouti

Trip Advisor
Leuke plekken om te bezoeken in Djibouti

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *